top of page
  • nudnik

Bro & Sis went through this.

Mijn broer leeft al meer dan 10 jaar in heel veel 'darkness'. Godzijdank gaat het nu een stuk beter met hem. In z'n zwartste dagen vond hij toch nog de kracht om een boek te schrijven "Darkness for Sale". Hij vroeg mij om een hoofdstuk daarin te schrijven, over hoe het is om van heel dichtbij dat verwoestende proces mee te maken. Dit is dat hoofdstuk.


Ik deel het hier omdat het een grote rol speelt in mijn werk, mijn art installation 'What Glows In The Dark' gaat er zelfs over. Als je Joël's boek wilt hebben, stuur me dan een berichtje. Here we go.


Trigger warning: dit is geen lichte kost. Als je zelf struggelt met mental health issues, of in je familie, zorg dan dat je de juiste hulp krijgt. De officiële weg is via je huisarts, maar iemand in vertrouwen nemen is ook een goeie eerste stap.


Al maandenlang schuif ik het schrijven van dit hoofdstuk voor me uit.

Er is simpelweg nooit een goed moment om eraan te beginnen. Als ik vrolijk ben, wil ik niet terug naar dat gevoel van me klote voelen (pardon my French), en ik weet, zodra ik de afgelopen 10 jaar op ga rakelen, ga ik me intens klote voelen.


En als ik zelf down ben, (ik zou willen zeggen, ‘it runs in the family’, maar eigenlijk komt het gewoon omdat we mensen zijn die mega intens voelen en meemaken en veel te veel nadenken en daardoor bakken we onze hersens en gedachtes regelmatig zwart), dan is schrijven over de afgelopen 10 jaar haast gevaarlijk, want dan wint de hopeloosheid het van elk sprankje hoop dat er nog in me over is.

Ik hoop daarom dat dit hoofdstuk inzicht kan geven in hoe het is om dit mee te maken met iemand waar je zoveel van houdt. Ik zou me namelijk best kunnen voorstellen dat je tijdens het lezen van dit boek je al een paar keer hebt afgevraagd; Hallo? Waar is die familie dan? Waar zijn z'n vrienden? Nou, we waren er al die tijd gewoon, hier. Heel dichtbij. En toch kan dit gebeuren.


Geen watermeloen en wodka

Dit gaat dus geen hoofdstuk worden van weet je nog, en toen, en jeetje wat hebben we samen veel meegemaakt. Ik zou zes andere boeken vol kunnen schrijven over wij, als broer en zus. Over de hilarische verhalen die dwars door de diepe zwarte wolken heen braken de afgelopen jaren. Hoe ontzettend je mij geholpen hebt als ik het moeilijk had. Over hoe we samen gingen werken, samen gingen maken. Over hoe je ineens op je 19e naast m’n broer ook een van mijn allerbeste vrienden werd, en we samen onze stad vaak onveilig maakte. Iets waar ik van droomde toen ik zelf ooit 19 was en jij 12; samen de kroeg in. Nu zijn we er, op een virusje na, niet meer weg te slaan.


Ik zou de gelukkigste grote zus op aarde zijn geweest als ik nu had kunnen schrijven: ‘pfoe, nou het was een hel, maar we zijn eruit, en nu kijken we vooruit en hoppa, hier een hilarische anekdote over een watermeloen en wodka en een foto van mij als een soort muppet op ons 1 januari gala!’ Maar dat gaat niet. Want ik ben nu nog steeds de meest zorgen-makende grote zus op aarde.


Ik dacht wel, misschien moet ik dit hoofdstuk beginnen met het ergste.

In het kader van: dan hebben we dat maar gehad. Mijn persoonlijke diepste dieptepunt was het moment waarop ik de 3 cijfers in mijn telefoon intoetste die niet gaan over een leven redden, maar over een leven eindigen. 113. De hulp bij zelfmoord-lijn.

Ik belde niet voor mij, ik belde voor jou. Omdat ik je al een tijdje niet meer aan de telefoon kon krijgen, omdat er rare dingen waren gebeurt, omdat de schulden veel erger waren dan we allemaal dachten, omdat je me al een keer had verteld hoe je het zou doen als je het zou doen, omdat ik je nog nooit zo down aan de telefoon had gehad en omdat ik het zelf ook niet meer wist. Ik kreeg je met geen stok naar therapie, en ik kon niet meer. We waren allemaal blut. Er zat geen energie meer in onze portemonnee en er waren geen knaken meer in m’n lichaam die het nog konden opbrengen om het te begrijpen. Ik snapte je destructie niet. Ik snapte niet hoe iemand die zo dichtbij je staat, voor je ogen zo door je handen heen kan glippen. Als zand. En water. Ongrijpbaar. En als familie, of laat ik het bij mezelf houden, als zus, kom je jezelf ook zo keihard tegen. Want ik doe alles voor je. Alles. Maar plots kom je in een soort Meatloaf-songtekst-scenario waarin je denkt: ‘But I won’t do that’. En weet je zelf, net als Meatloaf, niet eens precies meer wat dat betekent, omdat het een grens is die opschuift. Elke keer denk je; ‘dit is de laatste keer dat ik je geld geef / leen’. Of dit is de eerste keer dat ik dat niet doe. Of nu ga ik echt boos worden, niet meer begripvol zijn dat je toch weer bent gaan gokken. Dat kon ik dan toch gewoon elke keer niet. Uiteindelijk wist ik wat mijn ‘I won’t do that’ was. Het is iets wat veel verslavings-deskundigen juist aanraden om wél te doen; je handen van iemand af trekken. Niet meer helpen. Niet meer opnemen. Niet meer binnenlaten. Oftewel, iemand laten vallen. Maar dat kan ik niet bij mijn broer. Nooit. Zelfs dus niet als dat misschien wel beter voor jou was geweest. Ik val liever samen. Dat zit nou eenmaal in ons bloed.

Maar tegenover je zitten in Berlijn en moeten zeggen dat je niet bij mij kon komen wonen, terwijl ik dat jaren daarvoor zo vaak aan je had voorgesteld, maar het nu zou betekenen dat de deurwaarders dan mijn huis zouden komen leegtrekken. En jij nog los daarvan, al aangaf niet te kunnen beloven dat dan niet ook mijn huis zou veranderen in een prullenbak waar ergens in de hoek een stukje huis staat. Ik wist dat ik mezelf moest beschermen, en dat betekende jou niet helpen en dat ging zo dwars in tegen alles waar ik voor sta, dat het me bijna vloerde.


Dakloos is heel dichtbij

Als je dit niet van dichtbij hebt meegemaakt, dan weet je niet hoe dichtbij dakloos worden eigenlijk is. Ook al heb je, zoals jij, een super hechte familie om je heen. Een waanzinnig stel hersens. Een absurd knap hoofd. Handen die alles kunnen maken wat je ogen zien. En woon je in een land waar het allemaal sociaal gezien echt wel heel goed geregeld is. Dan toch, een paar verkeerde beslissingen, een jaar donderwolken in je kop, schulden die zich opstapelen en je bent er al. Gelukkig hebben we dat elke keer met elkaar net op het nippertje kunnen voorkomen. Maar een safe house heb je nog niet want elk jaar komt het weer terug.


Waxine lichtje tegen de wind in aansteken.

Voor mij werd het niet schrijven van dit hoofdstuk, een zwaardere last dan het wel schrijven. Want al voel ik veel liever de zon op m’n bakkes dan van die scherpe regen die steekt als naalden, het niet schrijven voelt als een constante wind tegen, en dan kom je maar moeilijk vooruit, hoe hard je ook trapt. Het kost ook heel veel energie.

Ik besef me dat jouw leven al jaren zo moet voelen. Alleen is het gekmakende dat je op de een of andere manier die wind zelf maakt. Als een soort Hans Klok die tegen zijn eigen windmachine in probeert een waxine lichtje aan te steken. “DOE DIE WINDMACHIEN GEWOON UIT HANS” wil je dan schreeuwen. En dat weet Hans ook wel. Maar ja, hij kan niet toveren... En dus blijft Hans het proberen. Maar elke keer gaat dat vlammetje weer uit. Het is namelijk die wind, mijn kind. Die moet niet tegen, die moet mee. En dat kleine vlammetje moet je beschermen met alles wat je in je hebt.

Jouw tegenwind begon in mijn optiek bij iets dat niet gebeurde. Het ontwikkelen van een eigen identiteit. Ik zag hoe je werd wie je wou zijn, in plaats van wie je bent. Ik zag je jezelf in driedelige pakken hijsen die als een superhero suit je beschermde tegen de buitenwereld, alsof je een andere Joël aantrok om de echte te beschermen. Ik zag die ontzettend nette, zuinig op zijn spullen zijnde-gast, ineens veranderen in iemand die ook mijn spullen niet meer als iets van waarde zag.


10 jaar geleden : het begin van de bende

Ik ging een maand reizen en bood jou mijn huis in Amsterdam aan, in ruil voor poezen oppas. Ik kwam thuis van the United States en mijn huis was veranderd in een United Afval Berg met daarin een in badjas hangende, stinkende broer. Ik rook de vuilniszakken op 4 hoog al op de begane grond. Tijdens mijn reis had de onderbuurman al gebeld over lekkage en ik zag nu hoe dat kwam, in mijn badkamer lagen allemaal handdoeken, kleren en andere shit op de grond waardoor de douche continue bleef overstromen. De katten hadden gepist op een kleed en dat had je in vieren gevouwen en in een hoek geflikkerd, waardoor de geur van ammoniak er nooit meer uit is gegaan en het kleed het niet heeft gered. Er waren peuken uitgedrukt in mijn vers gelakte vensterbank, McDonalds bekers die het niet langer dan twee dagen volhouden zonder te gaan lekken, stonden al twee weken onder de bank.

Te midden van deze verwoesting lag jij te gamen. In badjas met de thermostaat op standje terrarium Artis. Ik wist niet wat ik zag. Je keek nauwelijks op toen ik binnenkwam. Ik stond met mijn koffer en een hoofd vol reislust in de deuropening aan de grond genageld en het was dat onze moeder erbij was, want anders had ik je misschien wel iets aangedaan.

Ik weet alleen nog de kou die mijn blik dwars door die snikhete stink ruimte ‘formerly known as my home’ vulde. Ik heb alleen gezegd: ‘pak NU je spullen en ga uit mijn ogen.’ Meer niet. Je had wel door dat het serieus was, want alleen als ik echt HEEL boos ben word ik heel stil. Ik heb je tijd gegeven om je spullen op te komen halen, want anders zou ik alles weggooien, samen met mijn halve meubilair dat ook weg kon.

Voor mij begon het daar. Dat moment. Het punt waarop ik zag dat jij het niet meer zag, dat op de een of andere manier de ene Joël die ik kende, zich had losgemaakt van de Joël die op die bank lag. Die totale ‘don’t care’ houding van iemand die eigenlijk overal om geeft. Ik wou dat we op dat moment echt hadden ingegrepen. Toen je nog onder de 21 was. Toen we nog iets hadden kunnen veranderen. Maar we hadden geen glazen bol, konden niet in de toekomst kijken en dachten dat het een verlate puberteit was. We were wrong.


3...2...1 (no) ACTION

Ik zag in de jaren daarna Tyler, Dean, Pattinson, Macavoy, Gibson en papa. En soms ook Joël. Echt wel. Op de breekbaarste momenten, als we samen echt praten, iets met ruggen tegen muren en koppen uit het zand. Maar vanaf dat moment leek je te zijn gaan spelen in een film, en ben je de regie over je eigen leven kwijtgeraakt. Terwijl je zelf als geen ander weet; er is nog nooit een succesvolle film gemaakt zonder regisseur. Er zijn wel heel veel te gekke films, en Argo, waarin de hoofdrolspeler OOK de regie doet. Maar dat vereist heel veel discipline.


Genie

Ik houd het in dit hoofdstuk dan ook maar bij 1 film referentie:

Als ik zo’n Aladdin lamp had met zo’n gezellige geest erin, dan zouden alle drie mijn wensen naar jou gaan.


De eerste wens zou zijn: leer Joël hoe leven moet. Want dat is hoe ik jouw probleem zou samenvatten: leven lukt je niet. Dat hele ademhaal stuk wel, dat gaat vanzelf, al lijkt het soms meer op naar lucht happen. Maar de basisvoorwaarden van je leven echt leven; goed eten, s’ nachts slapen, rekeningen betalen, voor jezelf zorgen, een plek hebben die je thuis is en je rust geeft; dat alles heb je al jaren niet meer. En man, wat zou het je verder helpen.

Mijn tweede wens zou zijn, laat hem nooit meer geldproblemen (mee)maken. Dan houden de nachtmerries en dagmerries over een pinpas die het niet doet bij de kassa ook meteen op, en kun je weer slapen als een beertje. Onze eeuwige discussie is ook dat ik niet geloof dat geld je probleem is, maar dat je door jezelf steeds in de meest bizarre geldproblemen terecht komt. Dat gaat geen geluksduppie ooit voor je oplossen, daar heb je hulp bij nodig. Maar dat moet je echt zelf willen. Misschien kan die geest dat ook regelen.

En de derde en laatste wens zou ook een beetje voor mij zijn: Maak hem minder koppig. Wees zo eigenwijs als je kunt, maar goddamnit jongen, wat zit jij jezelf vaak in de weg. Ik ben best een vredelievend persoon, maar jouw koppigheid kan mij van troetelbeertje naar razende tasmanian devil krijgen in 0.01 sec. Sporten is namelijk gewoon goed voor je, alcohol en sigaretten niet. De natuur ingaan helpt als je het allemaal niet meer weet, in therapie uitvogelen hoe je in elkaar zit ook, en dan kun je meteen vragen of er medicijnen zijn die misschien kunnen helpen. Daar valt niet over te discussiëren. Dat is gewoon zo. Of anders; bewijs me dan maar wat wel helpt, want ik heb het niet bij je gezien de afgelopen 10 jaar. Over alle andere dingen mag je van mij voor altijd meer gelijk hebben dan ik. Meestal heb je dat namelijk ook. Maar in deze niet. You are wrong.

‘Hallo, waar is de wens die te maken heeft met overgoten worden door dikke fonkelende liefde?’ denk je misschien nu. Of de wens van het kunnen maken van alles wat je maar wilt? Of de meest succesvolle carrière vinden op aarde? Stinkend rijk worden-wens? Absurd gelukkig? Een early bird of een nachtdier met een ritme? Nog meer wensen-wens? Die zijn er niet, want die hoef ik niet wensen. Ik weet namelijk dat je dat allemaal zelf kunt bereiken. Daar heb je alleen je eigen briljante geest voor nodig. Kijk maar naar dit boek.


Van boek tot boek

Het moment dat even voelde als het einde, begon ook met een boek. Eentje die ik je maanden daarvoor had gegeven. Die je nooit had open geslagen, tot het moment dat je het wel deed. En toen ging ineens de telefoon. Je belde met de woorden: “Liet, ik heb hulp nodig. Ik wil opgenomen worden in een kliniek.” Het is gek hoe dat soort momenten direct worden ingeprent in je geheugen. De tranen stroomde over m’n wangen. Acht jaar frustratie en verdriet kwam eruit. Opluchting. Alles stond stil. Ik ging samen met jou meteen schakelen. Je had al een kliniek gevonden waar je heen zou willen en eigenlijk deed dat er allemaal niet eens zoveel toe.


Na al die jaren smeken, dreigen, al die uren en uren aan gesprekken waarna ik dacht dat er echt iets zou veranderen, en dat niet gebeurde, alle keren waarop ik je probeerde te laten zien hoe belangrijk therapie voor mij was geweest, maar je toch koppig bleef zeggen dat het voor jou niet nodig was, al die podcasts die ik had doorgestuurd, die je niet luisterde, boeken die ik voor je had gekocht, die je niet las, al die uren en uren dat wij allemaal met je gepraat hadden, dit was het moment dat jij echt vanuit jezelf oprecht zei: ‘het kan zo niet langer, ik heb hulp nodig.’ Eindelijk.


23 november 2018 was het zo ver, we gingen voor een intakegesprek naar Limburg. Ik boekte een hotelkamer zodat we ook nog een beetje konden relaxen en ons goed konden voorbereiden. De reis was hel. Ze zeggen wel eens dat het niet gaat om de bestemming, maar de reis ernaartoe, nou, ik was blij dat we bij de bestemming aan kwamen. File, keiharde regen, een auto die maar bleef beslaan en al jouw demons die hoe dichter we bij Limburg kwam, zich heftiger en heftiger gingen verzetten tegen dit plan. Uitgeput kwamen we aan, gelukkig was het hotel prima, met zwembad en restaurant waar we ons weer even broer en zus van vroeger voelde. Nog net geen bommetje in het zwembad gemaakt, het bommetje bleek de dag erna toch wel te vallen.

De intake met de psychiater was geweldig, ik voelde me ineens niet meer zo alleen staan. Helaas was de conclusie minder positief; ze konden je niet helpen. En zo kwam de knoop in mijn maag met elke kilometer dat we weer terugreden, weer terug.

Is er sindsdien iets veranderd? Zeker. Ik denk nog steeds dat het een mega belangrijk moment was. Daarna ben je je boek gaan schrijven en was je zwart minder gitzwart. Maar opgelost is het niet. Het was niet het einde waar ik nu nog steeds zo naar verlang. Het boek moet eerst nog geschreven worden voordat het dicht kan.


Het moment waarop de acteur ineens in de camera gaat praten.

Carrie deed het in Sex & the city en Underwood in House of cards, en ook ik richt me nu even tot u, beste lezer. Mijn broer heeft een fantastisch boek geschreven, waar geen woord van is gelogen. Ik weet het, want ik was erbij. Bij bijna elke (mis)stap. Zijn uitzonderlijke talent, en het patroon dat ik hierboven al beschreef, heeft er alleen ook een soort filmscenario van gemaakt. De zwartste eerlijkheid als script verteld. Voor ons, als familie, is juist dat soms heel moeilijk om te lezen. Wij konden die film namelijk s’nachts niet uitzetten. De nachten dat ik wakker lag, hoe vaak mijn hart in m’n keel bonkte als ik hem belde en bad tot een God waar ik niet in geloof, dat hij zou opnemen, wat hij niet deed, en dan op mijn fiets sprong om te gaan kijken of mijn broer nog wel leefde. De keren dat mijn vader zijn voordeur wou intrappen omdat mijn broer hem stelselmatig negeerde, hoe vaak ik mijn moeder heb zien huilen van radeloosheid, hoe het ons als gezin soms verscheurde, omdat iedereen er op zijn eigen manier mee omgaat en de stress die erbij komt kijken en alle familierelaties op scherp zet, hoe we er later achter kwamen dat we allemaal geld leende / gaven, wat we zelf ook niet konden missen, en wat hij dan uitgaf in de kroeg of in het casino in plaats van aan zijn huur, de opdrachten die ik voor hem regelde zodat hij naast een inkomen zich ook weer wat waard kon voelen, en hoe die dan bleven liggen, de interventies, hoe woedend het je maakt als iemand gewoon verdomd om zoiets als bijstand aan te vragen, je honderd keer aanbiedt om het samen te doen, waar hij nee op zegt, waardoor hij zijn huur weer niet kan betalen en wij er weer voor opdraaien, omdat het alternatief iedereen nog veel meer slapeloze nachten gaat bezorgen, maar vooral de allesoverheersende machteloosheid.


Ik heb hem zo vaak een ticket aangeboden om de wereld te gaan zien, laat je shit hier achter en vertrek, vind jezelf. Ik heb hem mijn boekhouder cadeau gedaan om financieel weer gezond te worden, ik heb bedrijven gebeld die hem konden helpen met schuldhulp, een reïntegratie coach gevonden die bereid was hem voor niks te helpen, die hij niet terugbelde. Ik heb hem meegenomen naar concerten / conferenties / feestjes in de hoop dat al dat moois hem zou inspireren en hem weer nieuwe moed zou geven, maar waarna hij vaak aangaf dat het hem eigenlijk alleen nog maar meer depressief maakte, omdat hij ook elektrische gitaar zou willen spelen, maar geen geld had om er een te kopen. Ik heb gesprekken voor banen geregeld, hem in dienst genomen van mijn bedrijf, ik ben mee geweest naar het UWV, bovenop z’n nek gezeten dat hij die afspraken voorbereidde, schuldhulp voor hem geregeld, hem elke dag uit bed gebeld, of zelfs fysiek uit bed gehaald als hij om 16:00u s’middags nog steeds niet wakker was, maaltijden voor hem gekookt toen hij nog maar de helft van mij woog, die hij vervolgens niet op at, uren geprobeerd om de kronkels in zijn hoofd te begrijpen, hem weken met rust gelaten als hij daar behoefte aan had, zijn huis van onder tot boven schoongemaakt en opgeruimd, mijn OV chipkaart aangeboden zodat hij toch kon reizen naar werk en niet boetes maakte en ga zo maar door, maar elke keer strand het bij Joël.


Want ik kan niet alles voor hem doen, hij moet het uiteindelijk zelf doen. Dat eten moet je zelf doorslikken. De belastingdienst zelf bellen. Dat lege zakje chips niet op de grond gooien, maar in je prullenbak. Een keer per week je huis stofzuigen. Op tijd naar bed gaan. Opstaan. Zelf naar de sportschool. Naar de psych. Maar hij doet het niet. Hij zit vast. Ik wil al deze dingen de rest van ons leven voor hem blijven doen, als ik het idee had dat hij er beter van wordt. Boven alles vind ik het namelijk verschrikkelijk voor mijn broer dat hij dit allemaal moet meemaken. Maar dat idee heb ik niet. En soms word ik er ook zo woest van. Want heel eerlijk, ik vind het ook heel kut voor mij.


Hoe help je iemand die geen hulp wil? En wat nou als dat juist het symptoom is van zijn ziekte? Hij is een volwassen man, je kunt hem niet dwingen. Of gedwongen laten opnemen. En geloof me, dat had ik zo graag gedaan. Zelfs als dat betekent had dat hij me nooit meer zou willen zien. Het was het waard geweest. Alles beter dan dit. U moet namelijk weten, wij weten niet wat er aan de hand is met Joël. Dat weet niemand, Joël zelf al helemaal niet. Het kan een depressie zijn, het kan autisme zijn, het kan een persoonlijkheidsstoornis zijn, hoogbegaafdheid, grootsheidwaanzin, onzekerheid, het kan luiheid zijn, onvolwassenheid, arrogantie, onmacht, en alles wat ik zojuist getypt hebt bij elkaar. Er is geen diagnose. Want Joël gelooft niet dat therapie hem kan helpen. En dus is er geen behandelplan. Geen steun. Geen hulpverleners, geen uitzicht op beter. Er is alleen dit boek. En hoe trots ik ook ben dat hij dit heeft geschreven, dat hij de discipline heeft opgebracht om het allemaal op papier te zetten, om eindeloos te herschrijven en het beter te maken, het benauwd me ook. Want dat boek is zo meteen af. Maar het verhaal is nog lang niet klaar. Misschien dat ik daarom ook wel zo op zag tegen het schrijven van dit hoofdstuk, ik kan niet schrijven over wat er was, omdat het er nog is.


Door dik en dun

Maar ik weet tegelijkertijd ook niks zo zeker, als dat het goed komt. Die klik in je geweldige brein gaat een keer komen. Al duurt het een beetje langer dan ik dacht. Ik zou de meest beroemde schrijvers nu kunnen quoten, maar dat doe ik niet. Ik houd het bij een briefje van mij aan jou dat ik ooit vond in een doos vol spulletjes uit onze jeugd, van toen ik net 8 was en jij dus 1 en waarop de tekst stond: ‘Jel, ik vind dat je erg dik bent, maar je bent en blijft mijn aller-, aller-beste vriend’. Ik zou nu ‘dik’ graag aan willen passen naar ‘down’. Als je namelijk iets niet bent is het dik. De rest is al 28 jaar onveranderd en zal voor altijd zo blijven.




5 weergaven

Recente blogposts

Alles weergeven